Ontworpen door Els de Crook

 

Veluwe

 

DE SPRONG VAN JAN VAN SCHAFFELAAR IN 1482.

De periode tussen ongeveer 1350 en eind 15e eeuw staat bekend als de Hoekse en Kabeljauwse twisten. De beide partijen bestonden uit vaak wisselende groepen van edelen en steden in Holland en Zeeland. De inzet was oorspronkelijk het verkrijgen en behouden van invloed op het bestuur en van winstgevende functies in de regering en aan het hof van de graaf. Op het laatst ging het meer over de vraag of men voor Bourgondië (Kabeljauws) of tegen Bourgondië (Hoeks) was.

 

David van Bourgondië, een bastaardzoon van Filips de Goede, was in de tweede helft van de 15e eeuw bisschop van Utrecht. Hij werd door het Hoekse stadsbestuur uit zijn stad verdreven en trok zich terug op het kasteel bij Wijk bij Duurstede. Kabeljauwse troepen belegerden daarop Utrecht om de bevolking van deze stad uit te hongeren. De met het Utrechtse stadsbestuur verbonden hertog Jan II van Kleef zond voedseltransporten naar de belegerde stad; soortgelijke transporten vonden plaats vanuit Deventer.

Op het huis "Puttenstein" bij Elburg en op kasteel "Roosendaal" bij Arnhem waren soldaten van de bisschop gelegerd die opdracht kregen de voedseltransporten te onderscheppen. Tot de op de "Roosendaal" gelegerde troepen behoorde ook de ruiteraanvoerder Jan van Schaffelaar, waarschijnlijk afkomstig uit het schoutambt Barneveld.

De daad van Jan van Schaffelaar wordt voor het eerst vermeld in een kroniek uitgegeven door de Utrechtse historikus Antonius Matthaeus in 1698 (dus meer dan twee eeuwen na de befaamde sprong!).

In deze kroniek staat de gebeurtenis ongeveer als volgt vermeld:

"Op de zestiende dag in juli hebben een aantal ruiters, afkomstig van de "Roosendaal", de toren en de kerk van Barneveld ingenomen; ze waren met negentien man. Soldaten van de steden Amersfoort en Nijkerk belegerden de kerk. Ze hadden kanonnen bij zich waarmee ze door de toren schoten. Hierbij kwamen vier of vijf bezetters om het leven. De mannen op de toren verzochten om een onderhoud, hetgeen geschiedde. De mannen op de toren boden aan zich over te geven, maar die van Amersfoort gingen hier niet op in. Zij wilden dat de mannen een zekere Jan van Schaffelaar uit de galmgaten naar beneden wierpen. De mannen op de toren wilden dit niet doen. Toen zei Jan van Schaffelaar: "Lieve gezellen, ik moet toch eenmaal sterven, ik wil u geen moeilijkheden bezorgen." Hij ging boven op de tinnen van de toren staan, zette zijn handen in zijn zijden en sprong naar beneden. Hij overleefde zijn val maar werd door zijn vijanden gedood. Het vorenstaande werd mij (voor waar) verteld."

Het standbeeld van Jan van Schaffelaar werd in 1903 in Barneveld onthuld.

Het is heerlijk fietsen in het National Park De Hoge Veluwe en even te stoppen bij het St. Hubertus huis.

De legende van St. Hubertus heeft als leidraad voor het ontwerp gediend. Deze legende vertelt het verhaal van de bekering van Hubertus die in zijn jeugd een fanatiek jager was. Hij kwam tot inkeer, vooral onder invloed van een visioen van een edelhert met een lichtend kruis in het gewei en een stem die hem zei dat hij zijn leven zou moeten beteren, want anders kwam hij in de hel terecht. Nadat hij het kruis uit het gewei van het hert -overdrachtelijk gesproken - op zich had genomen trok Hubertus zich terug in een klooster.

Hubertus stierf tenslotte in 727 als bisschop van Luik en Maastricht en is later in de Katholieke kerk de beschermheilige van de jacht geworden. De legende is door Berlage en de met hem samenwerkende kunstenaars in het Jachthuis met veel symboliek (hetgeen zeer gebruikelijk was voor kunststijlen van rond 1900) tot uitdrukking gebracht.

De heer Kröller jaagde en mevrouw Kröller was in het mystieke aspect van de Hubertuslegende geïnteresseerd.

 

Architectuur

De plattegrond van het gebouw is in de geweivorm gemaakt. De toren, met het kruis in het metselwerk verwerkt, symboliseert het lichtende kruis in het gewei.

Berlage was een architect die ook ontwierp in de stijl van de "Nieuwe Zakelijkheid". Men mocht daarbij de constructieve elementen in hun eigen schoonheid laten zien. Doordat Berlage vrijwel het gehele interieur ontwierp alsmede vele gebruiksvoorwerpen, ontstond een volledig op elkaar afgestemd geheel. Dit wordt versterkt door het terugkerende materiaalgebruik en herhaling van vormen.

Berlage was in zijn tijd een moderne architect. In het gebouw zijn vele technische hoogstandjes terug te vinden, zoals centrale verwarming, centraal uurwerksysteem, centraal stofzuigsysteem, een elektrische lift en Pullmann schuiframen.


















 

 

 

 

 

 

 Prachtig natuurlijk park.